Ook HBAG werkt volgens Code Goed Bestuur
In het kader van de modernisering van het schappenstelsel hebben de gezamenlijke product- en bedrijfschappen een Code Goed Bestuur opgesteld. In de Code zijn verschillende principes en uitwerkingen opgenomen ter bevordering van het transparant, democratisch en doelmatig functioneren van de schappen. De Code is op 1 juli 2007 van kracht geworden en kent een implementatie termijn van twee jaar.
De Code behelst 23 principes die rusten op een twaalftal pijlers.
Hieronder treft u de 23 principes aan.
Voor achtergrond informatie over de Code en haar totstandkoming verwijzen wij u graag naar de SER brochure Code Goed Bestuur; product- en bedrijfschappen, onderaan deze pagina.
1. Benoemingsproces bestuur
Principe I
Het bestuur draagt er aan bij dat de uitvoering van het proces dat voorafgaat
aan de benoeming van voorzitters transparant en op grond van adequate
criteria geschiedt. Eenzelfde houding vraagt het van de ondernemers– en
werknemersorganisaties die bestuursleden mogen benoemen.
2. Taak en verantwoordelijkheid bestuur
Principe II
Het bestuur is gericht op het uitvoeren van de in de wet omschreven taak
van een bedrijfslichaam. Bestuurders richten zich bij de uitvoering van hun
werkzaamheden op het algemeen belang en op het gemeenschappelijk belang
van de bedrijfsgenoten.
Principe III
Het bestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit en de volledigheid van de
openbaarmaking van relevante financiële relaties van het bedrijfslichaam
met andere rechtspersonen en organisaties.
3. Vergoedingen
Principe IV
Het toekennen van vergoedingen geschiedt op transparante wijze.
4. Integriteit en personele unies
Principe V
Bestuurders voorkomen belangenverstrengeling, doen datgene wat mogelijk
is om de schijn van belangenverstrengeling te vermijden en maken geen
misbruik van hun positie.
Principe VI
Personele unies moeten aan duidelijke eisen op het terrein van de transparantie,
verantwoording en functiescheiding voldoen. Dit geldt in het bijzonder
Overzicht principes goed bestuur
voor personele unies op bestuurdersniveau tussen een bedrijfslichaam en een
derdeorganisatie waarmee financiële of contractuele relaties bestaan.
Principe VII
Bestuurders houden geen informatie achter, tenzij deze vertrouwelijk is.
Principe VIII
Van uitnodigingen voor reizen, werkbezoeken en vergelijkbare activiteiten
op kosten van derden wordt door bestuurders altijd mededeling gedaan in
het dagelijks bestuur, onder vermelding van het doel. Het dagelijks bestuur
beoordeelt of de activiteit in het belang is van het bedrijfslichaam.
Principe IX
Geschenken mogen slechts in ontvangst worden genomen respectievelijk
worden geschonken, voor zover daarmee de integriteit van betrokkenen niet
wordt aangetast.
Principe X
Bedrijfsmiddelen die voor een zakelijk doel ter beschikking worden gesteld
mogen in beginsel niet voor privé–gebruik worden ingezet.
Principe XI
Het bestuur stelt een integriteitsprotocol voor medewerkers op.
5. Besluitvorming
Principe XII
Het bestuur draagt er zorg voor dat de bedrijfsgenoten, op basis van een
communicatieplan, in staat worden gesteld om gelijktijdig van de inhoud van
de verschillende fasen van de beleidscyclus kennis te nemen.
Principe XIII
Het bestuur biedt bedrijfsgenoten mogelijkheden om in de verschillende
fasen van de beleidscyclus actief betrokken te raken bij de besluitvorming om
daarop invloed uit te oefenen.
Principe XIV
Bij het besluit tot het verrichten van een nieuwe activiteit of tot aanpassing
van een bestaande activiteit, moet het bestuur beargumenteren waarom
er ten aanzien van (aanpassing van) die activiteit gekozen is voor publieke
uitvoering.
Principe XV
Bij elk besluit van het bestuur dat leidt of kan leiden tot het optreden van
administratieve lasten, dient het bestuur aan te geven hoe groot deze zijn en
waarom zij noodzakelijk zijn.
6. Vierjaarlijks draagvlakonderzoek1
Principe XVI
Iedere vier jaar vergewist het bestuur zich via een representatief onderzoek
ervan of het bedrijfslichaam als zodanig nog voldoende steun heeft onder de
ondernemingen waarvoor het is ingesteld. Indien een duidelijke meerderheid
onvoldoende bestaansgrond ziet voor het bedrijfslichaam, heroverweegt het
bestuur het voortbestaan van het bedrijfslichaam en brengt hierover verslag
uit aan de minister.
7. Werkingssfeer
Principe XVII
Ten aanzien van wensen tot wijziging van de werkingssfeer van het bedrijfslichaam
onderzoekt het bestuur eerst of er alternatieven zijn die daaraan
tegemoet kunnen komen. Aan een verzoek tot wijziging van de werkingssfeer
wordt door het bestuur meegewerkt indien het verzoek voldoet aan bepaalde
voorwaarden.
8. Heffingenbeleid
Principe XVIII
Om het verband tussen de financiering van activiteiten van een bedrijfslichaam
enerzijds en het nut dat een (sub)sector daaraan kan ontlenen anderzijds
zo groot mogelijk te doen zijn, legt het bestuur voor de financiering van
de activiteiten van het bedrijfslichaam bij voorkeur bestemmingsheffingen op.
Principe XIX
Het bestuur voorkomt dat ondernemingen meerdere heffingen van verschillende
bedrijfslichamen krijgen opgelegd. Indien een dergelijke samenloop
door omstandigheden niet kan worden voorkomen, zal het bestuur zich
inspannen zo spoedig mogelijk een oplossing te vinden.
1 Het is mogelijk dat dit onderdeel van de code alsnog elders, bijvoorbeeld in de wet, geheel of
gedeeltelijk zal worden geregeld. In dat geval zal dit onderdeel worden aangepast om overlap
te voorkomen.
9. Efficiency en effectiviteit
Principe XX
Het bestuur draagt zorg voor een efficiënte en effectieve organisatie. Daartoe
worden de geëigende instrumenten ingezet. In elk geval worden de eigen
prestaties en financiële kengetallen geheel of gedeeltelijk vergeleken met die
van de andere bedrijfslichamen (benchmarking), tenzij dit geen bruikbare
informatie oplevert of anderszins niet mogelijk is.
10. Aanbesteding
Principe XXI
Het bestuur handelt voor het gunnen van externe opdrachten volgens
standaardaanbestedingsprocedures, gerelateerd aan drempelbedragen, en
communiceert hierover op actieve wijze.
11. Klachtenbehandeling
Principe XXII
Het bestuur draagt er zorg voor dat mondeling of schriftelijk ingediende
klachten behoorlijk en zorgvuldig worden behandeld. Het bedrijfslichaam
maakt daartoe gebruik van een klachtenprotocol.
12. Intern toezicht, horizontale verantwoording en verticaal toezicht
Principe XXIII
Het bestuur draagt zorg voor een evenwichtig stelsel van intern toezicht en
horizontale verantwoording, ingekaderd in het stelsel van verticaal toezicht.